Co Verdaas
Voormalig staatssecretaris en adviseur bij Over Morgen

Wanneer we naar de ontwikkeling van bedrijventerreinen kijken, is het goed om eerst te relativeren: we hebben het tot op heden relatief goed gedaan in ons land. We hebben een hoogwaardige inrichting, zeker in vergelijking met landen om ons heen. Maar tegelijkertijd moeten we ons beseffen dat we uit een tijd komen waarbij de ontwikkeling van bedrijventerreinen en bijbouwen een doel op zich was – tot ongeveer 2009. Dat werd versneld door de drive om ‘jouw’ deel van de taart zo groot mogelijk te maken. Zoals we weten kreeg dat een harde landing toen de crisis zijn intrede deed, hoewel het ook zonder de crisis was misgegaan. Er zat te veel lucht in de plannen. De afgelopen jaren stonden dan ook in het teken van pijn nemen; afboeken, afschrijven en plannen afwijzen. Hoewel het moeite kost, moeten we loskomen van de spreadsheet planologie en overgaan tot het faciliteren van ondernemers. Anders gezegd, het op orde brengen van het gastheerschap voor ondernemers.

Duidelijke opvattingen

Er zijn daarin drie niveaus te onderscheiden, startend met het het lokale niveau. Het is erg belangrijk om de lokale ondernemer niet te vergeten. Wanneer je die in zijn behoefte voorziet ben je voor zo’n zestig tot zeventig procent klaar. Dat geeft ontspanning voor de rest van de activiteiten. Een niveau daarboven zijn er Nederlandse partijen die meer ruimte vragen. Hoewel er goede voorbeelden te zien zijn, hebben bestuurders er nog wel moeite mee om vanuit een regionaal belang te denken om deze partijen tot dienst te zijn. De juiste benadering is om ze als het ware als één bestuurlijke organisatie tegemoet te treden, dus niet ieder met zijn eigen accountmanager, maar via één loket.
Grote internationale spelers gelden als derde en meest bijzondere categorie. Om die aan je te binden is het nodig om een duidelijke opvatting te hebben over wat voor regio je wilt zijn. Deze bedrijven kijken naar een groot speelveld en kiezen voor een regio op basis van bijvoorbeeld de aanwezige arbeidsmarkt en creatieve schil. Er moet een ecosysteem zijn of worden ontwikkeld. Het is dus nodig om te kijken in welke sector je als regio wilt uitblinken en welke bedrijven daarbij passen. Daar moet je sterk op durven sturen. In verschillende regio’s wordt dat overigens al goed gedaan.

Dialoog

De clustering van organisaties uit eenzelfde aandachtsgebied laat ook zien dat een bedrijf niet meer één activiteit heeft, maar steeds meer multidisciplinair werkt. Ze zoeken de connectie met (kleinere) organisaties om zich heen en delen kantoren, onderzoeksfaciliteiten en warehousing. Nieuwe concepten gaan voorbij aan vierkante meters. Zo speelt logistiek ook een steeds grotere rol in het succes van organisaties. Denk bijvoorbeeld aan de levering van dagverse producten, die een vlucht heeft genomen. Een snel en efficiënt logistiek proces is hiervoor onmisbaar. Dat stelt eisen aan de vestigingslocatie. Hetzelfde geldt voor de toenemende populariteit van duurzaamheid, zoals circulaire productie.
Dit alles betekent dat er niet meer op hectare gestuurd dient te worden. Ruimtelijke kaders moeten minder rigide worden om de ruimte te bieden om in te spelen op economische ontwikkelingen. Het is positief om te zien dat verschillende regio’s dit voortvarend oppakken. Dat heeft vooral te maken met de procesafspraken die we met elkaar maken. Waar het wel of niet mogen bouwen in het verleden op basis van een matrix werd bepaald, gebeurt dat nu via een dialoog. Bijvoorbeeld de dialoog over welke bedrijvigheid nodig is voor een goede arbeidsmarkt. Dat zijn gesprekken die nooit klaar zijn. De kunst voor overheden is om in deze gesprekken mee te bewegen zonder alles goed te vinden.