“Nederlandse steden worden gekenmerkt door een groot cultureel aanbod. Een goede zaak, want de cultuur in een stad – breed op te vatten want het begrip omvat bijvoorbeeld zowel monumentale panden als podiumkunsten – zorgt voor aantrekkingskracht en vormt een reden waarom mensen deze bezoeken. De vestiging van een cultuurtempel heeft vaak een aanzuigende werking op andere industrieën zoals horeca, waardoor grote stromen mensen de stad bezoeken. Het zorgt voor levendigheid. Bovendien stijgt de waarde van de grond eromheen vaak met de vestiging van een cultureel instituut”, zegt Simon Reinink.

'Signatuur aan de stad'

Een bekend Amsterdams voorbeeld van zo’n cultureel instituut is het Concertgebouw. Het bedient meerdere lagen van de bevolking met (familie)concerten in muziekstromingen zoals klassiek, jazz en pop. “Niet iedereen hoeft van ons te houden, maar iedereen is wel welkom. Ik ken niemand die niet van muziek houdt, dus is er voor bijna iedereen wel aanbod. De groep musici in de naderende zomerconcerten bijvoorbeeld, varieert van Kyteman tot het Koninklijk Concertgebouworkest. De redenen om een stad en meer specifiek een concert te bezoeken zijn ook divers. De zestien verschillende uitvoeringen van de Matthäuspassion trokken verschillende soorten bezoekers. Voor sommigen was het een religieuze ervaring terwijl anderen het gewoon mooi vonden. Alleen al de aanwezigheid van een cultuurtempel draagt positief bij aan de leefbaarheid. Je geeft een signatuur af aan de stad.”

"Mede dankzij een gevarieerd cultureel aanbod van topklasse komen mensen van heinde en verre op een stad af", zegt Reinink. Om ook in te kunnen spelen op de verschillende portemonnees hanteert het Concertgebouw een wijde prijsrange voor de concerten, van nul tot 160 euro. Lunchconcerten zijn gratis toegankelijk en de zondagochtendconcerten zijn zo rond de 25 euro.

Verbetering

Reinink roemt de diversiteit in cultureel aanbod in Nederlandse steden. Ruimte voor verbetering is er in het speelveld van cultuur in verschillende steden wat hem betreft nog wel. “Zo kunnen we ons afvragen of elke stad alles moet willen programmeren. Er is immers niet overal markt voor, wat de kans op een lage bezetting verhoogt. In sommige gevallen is een betere spreiding tussen het aanbod in de steden een betere optie. Je ziet nu dat steden elkaar soms beconcurreren. Het verdient de voorkeur dat zij samenwerken en het culturele aanbod beter op elkaar afstemmen.”