Smart grid in de praktijk

Hendrike Schut is een van de Groningse bewoners die deelneemt aan het PowerMatching City-project. Haar dak ligt vol met zonnepanelen en het huis is uitgerust met warmtepomp en een boilervat voor warmtebehoud van water.

Op een tablet ziet Schut in een speciale portal precies hoe veel energie het huis op dat moment opwekt. Het weer is grijs en nat, maar toch bedraagt de opgewekte energie zo’n 30 procent. “We zijn begonnen met een warmtepomp en zonnepanelen om op alternatieve wijze energie op te wekken. Om ons steentje bij te dragen, maar ook vanuit financieel oogpunt. Al duurt dat enkele jaren.” Ook in andere omliggende woningen wekt men energie op.

Inzicht in verbruik

Inmiddels is in het huis ook een boilervat te vinden, dat warm water warm houdt. Het gezin bespaart hiermee op gas. “Het is leuk om dit met de hele buurt te doen. We kunnen, als bijvoorbeeld de zon schijnt, onze eigen energie gebruiken en een eventueel  overschot terugleveren aan het net.” Op de tablet is ook een voorspelling te zien van het moment dat er zon wordt verwacht en wanneer het dus gunstig is om bijvoorbeeld een wasje te draaien. Ook beschikt het gezin van Schut over een slimme wasmachine die op deze tijdstippen is in te stellen.
Vooralsnog doet ze de was liever op een zelfverkozen moment, maar: “Door dit project krijgen we wel meer inzicht in ons verbruik. Ook gaan we bewuster om met het in- en uitschakelen van apparatuur. Binnenkort krijgen we een accubuffer. Hiermee kunnen we opgewekte stroom opslaan.” 

“Waar energie altijd uit de centrale kwam als er vraag naar was, past in dit project de vraag zich meer aan het aanbod aan. Consumenten wekken ook zelf energie op; zo’n 30 tot 40 procent. PowerMatching City brengt het slimme netwerk naar de consument”, vertelt Frits Bliek, principal consultant bij DNV KEMA, partner in het consortium dat het project initieerde. “Het toont een smart grid in de huishoudelijke markt en dat maakt de impact groter. Het wordt deel van ons dagelijks leven. Bovendien maakt de consument zelf de keuze voor technologie; een microwarmtekrachtcentrale, warmtepomp, zonnepanelen of een combinatie.”

Bottom-up

De huishoudens kunnen met slimme apparatuur gebruik van warmte en stroom beter afstemmen op het aanbod. Zo gebruiken ze duurzame energie als er veel van is, en wekken ze dus ook met zonnepanelen hun eigen energie op. “Een goede mix van een lokaal systeem en het centrale”, zegt Bliek.
“De bottom-up vorm maakt het concept sterk. De zelfbeschikking van de consument kan hem meekrijgen in de transitie naar slimmere energienetwerken”, zegt Richard Beekhuis, businessline manager bij TNO, eveneens partner. “Ook betrekt het mensen meer bij de herkomst van energie. Benutten we initiatieven als deze niet, dan stijgen de investeringen voor uitbreiding van ons energienet enorm. Met slimme netwerken voorkom je piekbelasting.”
Het project valt onder het Innovatieprogramma Intelligente Netten van de overheid. De gemeente Groningen heeft de totstandkoming gefaciliteerd. Er is veel interesse in de data die het project oplevert. “Je weet pas echt meer als je ziet wat iets in de praktijk kost en oplevert, en hoe de consument omgaat met zo’n slim energiesysteem”, zegt Beekhuis.
TNO draagt zorg voor de ontwikkeling van het controlemechanisme en implementeert deze technologie om deze later weer volgens het concept te toetsen. DNV KEMA brengt stakeholders zoals consument, netbeheerder en energieleverancier bijeen, neemt hun belangen mee en onderzoekt wat het slimme netwerk vergt van de marktinrichting. Het consortium bestaat verder uit Essent, Enexis, ICT Automatisering en GasUnie.

Hindernissen

Hoewel de twee tevreden zijn over het project -dat in 2009 in de Groningse wijk Hoogkerk startte en in de tweede fase is beland- zijn er voor een landelijke uitrol nog hindernissen. “De vraag is hoe snel de markt voor deze technologie zich ontwikkelt. Ook moet de sector meewerken en dient wet- en regelgeving te worden aangepast. Dan is er nog de sociale acceptatie, al denk ik dat als men eenmaal inzicht krijgt in hoe vraag en aanbod zijn te sturen het idee van het slimme netwerk bij iedereen landt. Natuurlijk moet de burger goed worden geïnformeerd”, zegt Bliek. “Om de kosten voor iedereen omlaag te brengen zijn investeringen nodig van alle deelnemers aan het slimme energiesysteem.”
Tot 2016 wordt bezien welke aanpassingen nodig zijn voor een dergelijk slim netwerk. Een vervolgstap is het vinden van kosteneffectievere oplossingen. Bliek: “De uitdaging is dat het systeem de wensen van verschillende typen eindgebruikers aankan.”
Het project loopt nog tot eind 2014. De technologie vindt mogelijk toepassing binnen de Green Deal ‘Smart Energy Cities’, met 100.000 energieslimme huishoudens in Nederland in 2019 als doel.