Gerda van Dijk
Directeur Zijlstra Center (VU) en hoogleraar Organisatie Ecologie (Tilburg University).

“Met de taken die de rijksoverheid overdraagt moeten gemeenten op een andere manier gaan werken. Het grote punt is dat nog niemand weet hoe de nieuwe situatie er precies gaat uitzien. In principe worden door de decentralisatie van taken naar gemeenten zaken dichter bij de burger gelegd, wat positief is voor de kwaliteit van dienstverlening. Tegelijkertijd vormt de decentralisatie een uitdaging; hoe kan worden voorkomen dat er een te groot kwaliteitsverschil tussen gemeenten ontstaat? In hoeverre willen we dat het gelijkheidsbeginsel overeind blijft?” zegt Van Dijk.
“De decentralisaties in het sociaal domein stimuleren namelijk dat gemeenten hun eigen invulling geven aan de nieuwe taken én dat er dus verschillen ontstaan. De vraag is: Is dat erg? En: hoeveel ongelijkheid mag er eigenlijk ontstaan? Die vragen worden nu nog niet voldoende gesteld. Politieke partijen dienen zich hier meer mee bezig te houden. Tegelijkertijd doemt de vraag op hoe en in welke mate Den Haag moet reageren als er ongelijkheid optreedt. Dient de rijksoverheid maatregelen te treffen en het toezicht aan te scherpen? En druist dat niet juist tegen het principe van decentralisatie in, waardoor er weer centralisatie ontstaat? Een paradox waarin we ons echt moeten verdiepen.”

“Sterke discussie”

Van Dijk pleit voor een stevige, en continue, discussie hierover. Op gemeentelijk en rijksniveau. “We moeten de werkwijzen van gemeenten blijven volgen, leren van nieuwe praktijken en dus blijven praten met elkaar. Om organisaties zoals gemeenten echt te begrijpen is het een must om je te verdiepen in hun praktijken.”
Het Veranderlab hanteert die denkwijze. In het Zijlstra Center en de afdeling Bestuurskunde van de VU komen wetenschappers en mensen uit de praktijk samen om maatschappelijke vraagstukken te onderzoeken. Zo ook op het gebied van de decentralisaties in het sociaal domein. “In het Veranderlab worden de praktijken van gemeenten gevolgd en zijn onderzoeksvragen als “Hoe gaat de gemeente om met de vragen en inbreng van de burger?” en “Welk type gesprek vindt er plaats en hoeveel ruimte heeft een ambtenaar?” denkbaar. In workshops blijkt wat de visie van wetenschappers op vraagstukken is en ontstaan er handvaten voor ambtenaren waarmee ze op een andere wijze naar hun werkwijze kijken en zo nieuwe kunnen ontwikkelen.” Het Veranderlab volgt de effecten van nieuwe werkwijzen en brengt samen met partijen uit het veld in kaart welke wenselijk en onwenselijk zijn. “Om samen te leren en de gevolgen van een interventie binnen een gemeente beter te begrijpen en wellicht beter te voorspellen.”

“Geen hiërarchie”

Samenwerking -bijvoorbeeld regionaal- kan zinvol zijn, meent Van Dijk, maar: “Het is een moeilijke opgave, dus is in kaart brengen op welke vlakken die er moet zijn verstandig. Daarnaast is het een voorwaarde dat verticale, hiërarchische verhoudingen tot het verleden behoren, terwijl die juist in de publieke sector nog alom tegenwoordig zijn. Bovendien moet je durven experimenteren en elkaar durven vertrouwen. Dat past slecht in onze huidige maatschappij, waarin een ieder direct wordt afgerekend op een misstap. We willen geen risico’s lopen. Maar ze zijn er wel bij co-creatie. Ook over de vraag hoeveel risico we willen lopen moeten we nadenken. Ik hoor die discussie nergens.”
Met de veranderende taken wordt er meer initiatief en innovatievermogen van ambtenaren gevraagd, zegt Van Dijk, en moeten opleidingsprogramma’s binnen gemeenten hierop inspelen. “Het is even zoeken en niet iedereen zal even succesvol zijn. Voorspelbaar is dat straks iemand in gemeente A wel bepaalde zorg krijgt en een burger in gemeente B niet. Ik zie de krantenkoppen al voor me. Maar dat is niet eens waar het precies om draait. Uit dergelijke verschillen is een reflex te verwachten van een roep om meer toezicht en meer protocollen en handboeken. Dan blijkt de decentralisatie uiteindelijk een centralisatie.”

To do

“Wat gemeenten daaraan kunnen doen? Om de veranderingen goed op te pakken moeten zij heel goed naar de eigen cultuur en hun specifieke gemeentelijke vraagstukken kijken. Het is noodzakelijk om de eigen creativiteit aan te boren en helder te hebben voor welk vraagstuk nu precies een oplossing is vereist en hoeveel we daar voor over hebben. Dat betekent onder meer echt anders werken en een voortdurende dialoog met belanghebbenden, bijvoorbeeld zorgverlenende instellingen.”
“De ideale gemeente van de toekomst is zelflerend, faciliterend en activeert burgers continu. Hoewel globalisering toeneemt, wordt ook de rol van de gemeente alleen nog maar belangrijker. Het is hierin cruciaal om ons af te blijven vragen wat voor samenleving we willen zijn en dat we dat idee blijven toetsen aan de realiteit van de praktijk.”